• Specialistisch onderzoek

  • Erkende archeologen

  • Verstand van zaken

  • Vlakdekkende opgraving

  • Effectieve samenwerking

  • Diepgaand onderzoek

  • Restauratie en conservering

  • Uitgebreide ervaring

Copyright 2020 - Vlaams Erfgoed Centrum

Werfbegeleiding

Soms is het niet mogelijk of niet gewenst om een regulier archeologisch (voor)onderzoek uit te voeren. In dat geval kan er gekozen worden voor een archeologisch werfbegeleiding tijdens de civieltechnische werkzaamheden. De werfbegeleiding is een bijzondere vorm van de archeologische opgraving. Ze is onderworpen aan dezelfde decretale bepalingen als een opgraving.

Bij een werfbegeleiding volgt de archeoloog de civiele werkzaamheden nauwlettend op. Hij/zij documenteert eventuele resten, bergt eventuele vondsten en bestudeert de bodemprofielen.

Het Vlaams Erfgoed Centrum heeft alle benodigde kwalificaties in huis en kan uiteenlopende ingrepen begeleiden, zoals:

·         trekken van smalle sleuven voor kabels en leidingen

·         opentrekken van bestaande rioleringen en sleuven voor nutsbedrijven

·         schoonmaken van oevers

·         leggen van drainage

·         sanering van vervuilde grond, als is vastgesteld dat opgraven niet mogelijk is

·         sloop van het ondergrondse deel van een niet-cultuurhistorisch waardevol bouwwerk

De keuze voor een werfbegeleiding in plaats van een opgraving wordt gemotiveerd in de archeologienota of nota. Wilt u graag weten of uw project in aanmerking komt voor een werfbegeleiding of heeft u nog andere vragen: stel ze gerust

 

Archeologische boringen

Het doel van archeologisch booronderzoek is het opsporen, en mogelijk begrenzen, van archeologische vindplaatsen die niet direct aan het maaiveld zichtbaar zijn. Archeologisch booronderzoek bestaat uit verkennend en/of waarderend booronderzoek en wordt doorgaans uitgevoerd als er een verwachting is op intacte artefactensites uit de prehistorie en als de bodem nog intact is. De keuze voor het boorgrid en het aantal te verrichte boringen is afhankelijk van de verwachte archeologische resten. Waarbij als vuistregel gehanteerd kan worden; hoe kleiner de omvang van de vindplaats hoe meer boringen in een dicht boorgrid nodig moeten zijn voor een gefundeerde conclusie. Tijdens dit onderzoek zullen relevante archeologische lagen worden bemonsterd om te kijken of er indicatoren zijn die kunnen duiden op de aanwezigheid van een vindplaats. Deze indicatoren kunnen bestaan uit aardewerk, vuur en natuursteen, houtskool, maar ook concentraties fosfaat of vegetatiehorizonten.

Naargelang de te verwachten vondsten kan gekozen worden om lagen te zeven (zandgrond) of ter plekke te versnijden (klei en leemgrond). Die keuzen zal ook gedicteerd worden door de aard van de vondsten. Vindplaatsen die bestaan uit vondstrooiingen zullen sneller gedetecteerd worden door een zeefonderzoek, dan vindplaatsen die (deels) uit een donkergekleurde vegetatiehorizont of cultuurlaag bestaan.

Indien in het gebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, wordt vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van gravend onderzoek zoals bijvoorbeeld proefsleuven.

Veldprospectie

Een veldprospectie is geschikt voor het opsporen van archeologische vindplaatsen die bestaan uit vondsttrooiingen (dikwijls aardewerk, vuursteen) en die dicht aan het oppervlak liggen. Door landbewerking zoals ploegen kunnen delen van de vondststrooiingen aan de oppervlakte terecht komen.

Veldprospecties worden uitgevoerd door bodemontsluitingen te inspecteren zoals slootkanten of intensief bewerkte akkerlanden. Zelfs door de inspectie van molshopen kunnen vindplaatsen in kaart worden gebracht.

Indien sprake is van een goede vondstzichtbaarheid (geploegde akkers), wordt het plangebied systematisch in raaien en of vakken gelopen op zoek naar vondsten. De vondsten worden dan als puntlocatie of per verzameleenheid (vakken, raaien) verzameld en geregistreerd. De verzameleenheid zal op inhoudelijke gronden bepaald worden. Daarbij is de aard van de vindplaats een belangrijke factor. Vindplaatsen met een geringe omvang (jachtkampen) zullen met een fijnere resolutie (kleinere verzameleenheden) verzameld worden dan vindplaatsen met een grotere omvang (villa terrein). De vondsten worden op een plan/kaart geplot en zo ontstaat een overzicht waar vindplaatsen aanwezig zijn.

In een GIS (computer bewerkingen) kunnen verschillende kaarten gecombineerd worden, waardoor een relatie gelegd kan worden tussen archeologie en bijvoorbeeld bodemtype of aard van agrarisch gebruik van het gebied. Zo kan op een snelle en efficiënt wijze een eerste indruk worden gekregen van de aanwezigheid van vindplaatsen. Om een compleet overzicht te krijgen van de archeologische vindplaatsen in een gebied, zouden veldprospecties periodiek moeten worden uitgevoerd, daar het landgebruik een dominante factor is voor de vondstzichtbaarheid. Afwezigheid van vondsten tijdens een veldprospectie betekent dan niet gelijk afwezigheid van archeologische vindplaatsen in het plangebied. Omdat periodieke veldprospecties dikwijls niet te realiseren zijn met de doorlooptijd van de gebiedsontwikkeling, wordt aangeraden om een veldprospectie te combineren met een booronderzoek door middel van landschappelijke en of archeologische boringen.

 

Landschappelijke boringen

In het verleden was het landschap vaak bepalend voor de keuze om van mensen om er te wonen, voedsel te verzamelen, akkerlanden aan te leggen etc. Met een landschappelijk booronderzoek wordt ter aanvulling op de kennis uit de bureaustudie onderzocht hoe het landschap binnen het plangebied er in het verleden uit heeft gezien. Met deze kennis over het landschap kan beter bepaald worden of het gebied zich in het verleden leende voor bijvoorbeeld bewoning. Daarnaast kan er ook vastgesteld worden of er in het meer recente verleden verstoringen zijn geweest. Dit laatste kan van invloed zijn op de bewaring van archeologische resten.
Bij het landschappelijk booronderzoek worden verspreid over het plangebied boringen gezet (veelal in een 30x30m grid). Uit de boorkernen kan de gelaagdheid van de bodem afgeleid worden.

Landschappelijke profielputten

Als het landschappelijk booronderzoek onvoldoende uitsluitsel kan geven over de bodemopbouw, kan er aanvullend geopteerd worden voor de aanleg van profielputten. In de praktijk zal dat vaak pas nodig zijn als de bodemopbouw erg complex is. 

monsters nemen © VEC

Opgraving

Indien na vooronderzoek blijkt dat waardevolle archeologische resten aanwezig zijn en deze niet behouden kunnen blijven, zal een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving noodzakelïjk zijn. Hierbij worden de aanwezige archeologische waarden vakkundig opgegraven, gedocumenteerd en nader onderzocht. Hierbij worden de richtlijnen uit het Programma van Maatregelen van het vooronderzoek (archeologienota/nota) gevolgd. We verwijderen de grond laag voor laag. Grondsporen en vondsten worden in grondvlak ingemeten, gefotografeerd en gedocumenteerd. Sporen worden gecoupeerd en zo mogelijk gedateerd. In stedelijke contexten registreren we de ophogingspakketten en bestuderen we hun relatie tot de bewoningsresten. Zo reconstrueren we de geschiedenis van het terrein van de vroegste bewoning tot nu. De resultaten verwerken we in een rapport met een wetenschappelijke analyse van de vindplaats.

Een archeologische opgraving gebeurt enkel zodra vast is komen te staan dat het gebied van hoge archeologische waarde is, maar niet kan worden behouden. Tijdens een archeologische opgraving wordt zoveel mogelijk informatie over het verleden uit de grond gehaald. Opgraven kan maar één keer en derhalve is het dus van groot belang dat het adequaat gebeurt. Onze erkende archeologen hebben jarenlange ervaring en zijn getraind in projectmanagement van grote(re) onderzoeken. Bij het archeologisch onderzoek wordt gebruik gemaakt van de modernste apparatuur, wat naast tijdswinst ook een duidelijke accuratesse oplevert. Ook bij grote(re) en complexe projecten zal daarmee de voortgang en instandhouding van uw plannen worden gegarandeerd.

Vlakdekkende opgraving

Subcategories

U bent hier:

f m